Categorie archief: verhalen

La Blanche Muette

Als kind kon Romana lang verdwaald blijven in een boek. Ze ging op in stemmingen, wonderlijke sferen en suspense, maar er was altijd iets dat haar zonder gevaren terug naar huis bracht. Soms moest haar moeder haar lang zoeken in huis, omdat zij ongemerkt onzichtbaar kon worden; zo diep en ver kon ze gaan in een verhaal.

Winter in Parijs. Een storm van grijze gebouwen. De kerstsfeer is pijnlijk, als een scherp mes op een geïnfecteerde puist. Romana denkt voortdurend aan de gesluierde, mooie dame van marmer op de grafsteen, die gisteren zo onschuldig en tegelijkertijd sensueel zat te waken op Père Lachaise.
Zij wil daar terug, op de grafsteen slapen, het mos voelen groeien tussen haar tenen, achter haar nek en op haar nieren. Daar slapen, de kou niet meer voelen, alleen de kraaien en de wind horen in een wolk van verlangen.
Castor is de zwarte engel. Samen lopen ze hand in hand, en zwijgend vertellen ze elkaar hun dromen. Ze merken niet dat ze onopgemerkt blijven voor de mensen die hen passeren.
‘Kan jij je herinneren, Castor,’ zegt ze zacht, ‘dat ik je kwam ophalen van het station? Er was een kerk onderweg waar ik een cadeautje voor je had verstopt. Ik maakte er een spel van, maar jij hoorde alleen de klank van mijn stem, je begreep mijn toespelingen niet.’
Ze aarzelt even.
‘Aan de voordeur moest je blijven staan, weet je nog? Niet omdat ik je niet binnen wilde laten, maar omdat ik een geheim wilde bewaren. De stemmen uit mijn verleden woonden daar nog. Ze zouden je verjaagd hebben.’
Ze kijkt hem aan.
‘Of misschien deden ze dat al?’

De sneeuw valt niet, ze stijgt, traag, alsof de zwaartekracht haar afwijst. Romana loopt met Castor langs de muren van Père Lachaise. De namen op de stenen zijn verdwenen; er staan alleen nog maar vervaagde letters, als zuchten.
‘We zijn te vroeg,’ zegt Castor, ‘of te laat, dat weet ik niet precies.’
Hij zegt het alsof hij het al te vaak gezegd heeft tegen iemand die geen vragen meer stelt. Zijn stem klinkt niet als geluid, maar als iets dat in haar hoofd oplicht, zoals het lampje dat in een gesloten koelkast blijft branden.
Ze lopen verder, hand in hand, maar hun vingers raken elkaar niet echt; er zit iets tussen, een koud en levenloos laagje. Romana wil iets zeggen, maar haar woorden lossen op voordat ze haar lippen verlaten. Ze merkt niet dat haar adem geen damp meer maakt.

De paden van het kerkhof lopen in lussen. Elk pad eindigt weer bij dezelfde vrouw van marmer, La Blanche Muette. Haar sluier beweegt, ook al is er geen wind. Romana herkent haar nu: het gezicht is haar eigen gezicht, maar jonger, onschuldig, alsof iemand haar net heeft uitgewist en opnieuw getekend.
‘Ze wachtte op jou,’ zegt Castor, zonder te kijken. ‘Je had niet terug moeten komen.’
‘Maar ik ben nooit weggegaan,’ zegt Romana.
Hij glimlacht, maar het bereikt haar niet.
De sneeuw bedekt hun schaduwen. Er klinkt muziek, een kinderliedje uit een open graf, zacht en wiegend. Romana hoort haar moeder roepen, ver weg, zoals vroeger, toen ze nog wakker kon worden uit verhalen.
Ze kijkt naar Castor. Zijn ogen zijn leeg, zoals de vensters van verlaten huizen waar ooit iemand woonde.
‘We zijn onzichtbaar,’ fluistert ze.
‘Dat waren we al,’ zegt hij bijna meewarig.
Ze gaat liggen aan de voeten van La Blanche Muette. Het marmer voelt niet koud meer, maar warm, ademend als een dier. Castor gaat naast haar zitten. Zijn hand glijdt over haar haar, maar ze voelt alleen nog de herinnering aan die beweging, niet de aanraking zelf. En ze weet: dit is niet alleen het einde van verdwalen, maar het moment waarop hij ophoudt haar terug te vinden.
Boven hen vallen sneeuwvlokken omhoog, tot ze oplossen in de melkachtige hemel. Daarna is er niets meer te onderscheiden: steen, huid, adem en wind, alles één en hetzelfde witte licht, waarin geen twee dingen elkaar nog hoeven te raken.

’s Morgens is de lucht helder, haast doorzichtig. De sneeuw heeft het kerkhof glad en onschuldig gemaakt, alsof de nacht niets heeft achtergelaten.
Een tuinman, gehuld in een dikke jas, schuift met zijn bezem het pad vrij. Hij merkt dat er op het graf van La Blanche Muette iets anders ligt dan sneeuw. Een afdruk, vaag, als van twee lichamen naast elkaar.
Hij blijft even staan. Kijkt om zich heen. Er is niemand. Alleen kraaien in de bomen, hun zwarte vleugels als losse gedachten tegen het wit.
Wanneer hij zijn werk hervat, ziet hij iets glinsteren tussen het mos aan de voet van het beeld: een blauw lint, half vergaan, verkleefd met ijs. Hij pakt het op en draait het tussen zijn vingers. Zachtjes zegt hij, zonder te weten waarom: ‘Het is nog warm.’
Dan stopt hij het in zijn zak en loopt verder. Achter hem blijft het graf onaangeroerd liggen, alsof de steen zelf slaapt. La Blanche Muette glimlacht onmerkbaar in de winterzon. En uit de verte, heel even, klinkt het alsof er een kind naar huis geroepen wordt. Of misschien was het alleen de wind.