In een appartement hoog boven Scheveningen, waar het licht van de zee als een zilveren lint door het grote raam viel, stond midden in de kamer een eenvoudige houten tafel. Bovenop die tafel, zacht schitterend in de namiddagzon, stond een vissenkom. In het glas glansden gekleurde steentjes als miniatuurjuwelen, en daarop rustte een minuscuul kasteeltje, compleet met boogpoortjes waar de bewoner van dit rijk, een goudvis van onmiskenbare eigendunk, majestueus doorheen zwom.
De goudvis, die zichzelf meer een aquamancer vond, zwom een rondje door zijn kasteeltje, snoof denkbeeldig en richtte zich op alsof hij een onzichtbaar publiek toesprak.
‘Ach,’ begon hij op een toon die deed vermoeden dat hij de eeuwenoude wijsheid van de oceaan in zich droeg, ‘jullie simpele zielen begrijpen vast niet hoe groot de wereld werkelijk is. En toch,’ hij draaide plechtig een elegante bocht, ‘heb ik de essentie van die wereld in mij.’
Hij liet een belletje ontsnappen, alsof hij een punt benadrukte.
‘Zie, mijn oorsprong ligt niet slechts in deze vissenkom. Nee, ik draag het ritme van de zee in mijn vinnen. Ik belichaam de onderstroom van het bestaan. De golven die daar buiten tegen de kust beuken? Slechts een echo van wat er in mij leeft.’
Met een zwierig staartzwaaitje verdween hij weer door het kasteeltje, waarna hij aan de andere kant opdook en verder ging in zijn monoloog.
‘Jullie zien misschien een kom. Maar ik, ik zie de kosmos; een universum. En, tussen ons gezegd,’ hij boog zich dichter naar het glas, alsof hij vertrouwelijk wilde fluisteren, ‘niemand begrijpt de ware diepte van het leven beter dan een goudvis. Wij zien alles in rondes, weten dat alles terugkomt, dat herhaling de kern van wijsheid vormt. Ja, ik ben eigenlijk een filosoof.’
Hij zwom nog een statige cirkel, terwijl de zon zijn schubben deed oplichten als vloeibaar goud. Daarna keek hij opnieuw naar buiten, naar de glinsterende zee in de verte. ‘En dat alles,’ zei hij met plechtige nadruk, begint bij mij.’
Buiten begon de lucht te veranderen, alsof iemand een donker gordijn langs de hemel trok. De glans van de zon op de golven maakte plaats voor een grimmige, staalgrijze kleur. De wind joeg plotseling langs het flatgebouw, floot door kieren en liet het grote raam zacht trillen. Het appartement vulde zich met het dreunen van opstekende vlagen, alsof de zee zelf iets belangrijks te zeggen had.
Goudvis, die net een bijzonder imponerend rondje door zijn kasteeltje had voltooid, stokte halverwege zijn route. Zijn blik werd naar buiten getrokken door het spektakel van duisternis en beweging. Hij zwom langzaam naar de rand van de kom, zette zijn meest contemplatieve gezicht op en tuurde door het gebogen glas, door het brede raam, naar de wereld buiten.
Daar, ergens verderop op het strand, zag hij iemand, een mens. Een klein silhouet in een donkere lange jas, half gebogen tegen de wind in, met een camera strak tegen het gezicht gedrukt. Bij elke rukwind plantte de figuur de voeten dieper in het zand, hurkte soms even om een foto te maken van de woest aanrollende golven.
Goudvis snuifde. Of deed dat tenminste zo goed als een goudvis dat kan.
‘Kijk hem daar nou,’ zei hij met theatrale treurnis in zijn stem, ‘met zijn camera tegenover de wereld staan.’ Hij zwom een halve cirkel, alsof hij het beeld nog eens van een andere hoek wilde beoordelen, en keerde toen terug naar zijn oorspronkelijke positie. Zijn staart wapperde als een kleine mantel van zelfgenoegzaamheid.
‘Zie je dat?’ ging hij verder, terwijl de wind buiten beukte alsof hij zijn woorden kracht wilde bijzetten. ‘Hij probeert de zee vast te leggen, gevangen te nemen in een plaatje, alsof de wereld een object is, iets buiten hemzelf dat hij kan bekijken.’ Hij rolde dramatisch met zijn ogen.
‘Ik daarentegen,’ verklaarde hij met diepe, sonore ernst, ‘ben ín de wereld en sta er niet tegenover. Ik bén water, essentie, bestaan. Ik belichaam de zee.’
Een windvlaag zwiepte de regen hard tegen het raam. Goudvis onderging het met een zelfvoldane melancholie.
‘Ach,’ besloot hij terwijl hij zich omdraaide en terug zwom naar zijn kasteeltje, ‘sommigen proberen de wereld te begrijpen door ernaar te kijken. Anderen, zoals ik, hoeven er slechts in te zijn.’
En met een sierlijke zwembeweging gleed hij opnieuw door zijn poortje, de storm buiten negerend alsof het een oude vriend was die hem allang niets meer te vertellen had.